Professor. dr. Herman Pleij, fotografie Mike Bink

De Zomer van Herman Pleij

Het belooft een reis vol verrassingen te worden, een bezoek aan de tentoonstelling die emeritus-hoogleraar prof. dr. Herman Pleij deze zomer inricht in Museum Catharijneconvent. Pleij was tot 2008 hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en is bij het grote publiek bekend van diverse publicaties en mediaoptredens. Menig geschiedenisliefhebber heeft ongetwijfeld zijn Sneeuwpoppen van 1511 of Dromen van Cocagne gelezen.

Ook na zijn emeritaat bleef Pleij actief. Vorig jaar verzorgde hij een inleiding op de tentoonstelling in museum Boymans van Beuningen, Van Bosch tot Bruegel. En voor het pop-up museum dat DWDD begin 2015 inrichtte in het Allard Pierson Museum in Amsterdam koos hij een aantal werken uit de collectie van Museum Catharijneconvent. Toen is het idee ontstaan om in de zomer van 2016 in dit museum zelf een tentoonstelling in te richten.

De Zomer van Herman Pleij is het resultaat, vanaf 8 juli tot en met 4 september te zien. In deze tentoonstelling daagt Pleij de bezoeker uit totaal anders te kijken naar middeleeuwse kunst. Uit de omvangrijke collectie van het museum mocht hij volledig zijn eigen keuze maken. Er zijn voorwerpen te zien die al jaren onzichtbaar waren, terwijl bekendere objecten in een geheel nieuw daglicht komen te staan.

Oud-Utrecht organiseert in samenwerking met Museum Catharijneconvent op 13 augustus aanstaande van elf tot vijf een dag met gratis entree voor leden over De Zomer van Herman Pleij. Als voorproefje op dit bijzondere evenement vroegen wij professor Pleij naar de tentoonstelling en zijn aanpak. Het werd een uiterst boeiend gesprek: Pleij is niet alleen een vaardig schrijver maar ook een boeiend verteller.

Hoe heeft u de inrichting van de tentoonstelling aangepakt?
‘Ik ben begonnen met het doornemen van de uitstekende inventarissen van het museum, zowel digitaal als gedrukt. Op basis daarvan heb ik drie thema’s gekozen. Daarna ben ik gerichter de depots in gegaan, om de thema’s verder uit te werken. Uiteindelijk zijn we uitgekomen op meer dan 100 objecten. Een groot deel zijn beelden en beeldengroepen, maar er zijn ook schilderijen, boeken, ivoren, stukken textiel. We hebben flink uitgepakt. Heel verrassend voor mij was dat sommige beelden die ik wel van plaatjes kende, maar nooit in het echt gezien had, nu ineens veel kleiner bleken te zijn. Bijvoorbeeld tal van Mariabeeldjes. Soms waren dat beeldjes voor privé-devotie, maar vaak ook bleken het onderdelen van een grotere groep. Of ze waren bedoeld om mee op reis te nemen, voor een reisaltaar. Het vakmanschap van die beelden is overigens verbijsterend. Al die détails, waarmee de kunstenaar soms jaren bezig is geweest.’

4. Zittend Christuskind, Mechelen, begin 16e eeuw, Museum Catharijneconvent, Utrecht
Zittend Christuskind,
Mechelen, begin 16e eeuw,
Museum Catharijneconvent, Utrecht
U heeft drie thema’s uitgekozen. Kunt u daar iets meer over vertellen?
'Je kunt op verschillende manieren naar kunst kijken: gewoon, onbevangen, of je het mooi vindt of niet. En je kunt je afvragen wat zo’n beeldhouwer of schilder van toen met zijn kunst bedoelde. Wat voor functie had het werk, hoe werd het gebruikt. Dat laatste is mijn uitgangspunt. Om dit duidelijk te maken, heb ik de uitgekozen objecten verdeeld over drie hoofdthema’s. Het eerste noemde ik Bewogen beweging. De beelden en beeldengroepen die ik daar laat zien waren de bewegende beelden van toen, door de kleuren, de plastiek, de achterliggende verhalen. Deze tv-beelden van de middeleeuwen speelden een rol bij straattheater, bij processies, bij Blijde Inkomsten. Grappig is om te ervaren dat sommige beelden duidelijk sporen vertonen van gebruik in zo’n poppenkast voor volwassenen. Er zijn haakjes te zien, waar sterren aan opgehangen konden worden, of er is een opening om een nieuw personage toe te voegen.

Een volgend thema is Aanzien doet gedenken. Ook dit thema heeft te maken met bewegen, maar dan in de zin van ‘bewogen zijn’, ‘ontroeren’. ‘Aanzien doet gedenken’ is een leus uit de wereld van de Moderne Devotie. Deze beweging heeft geïnspireerd tot enorm veel kunstvoorwerpen. Voor de Moderne Devoten gold dat de mens zelf verantwoordelijk was voor zijn eigen heil. Traditioneel in de katholieke kerk was dat natuurlijk de taak van de priester, om dat heil te verzorgen, dus deze opvatting werd eind veertiende eeuw als ketters ervaren.

5. Treurende vrouw (detail), Antwerpen, ca. 1480, Museum Catharijneconvent, Utrecht
Treurende vrouw (detail),
Antwerpen, ca. 1480,
Museum Catharijneconvent, Utrecht
Voor de Moderne Devoten moest de mens tot dat heil komen door introspectie. Zichzelf leren kennen. Je realiseren dat je een zondaar bent, en dan tot boetedoening komen. Dat proces kon op gang geholpen worden door ontroerd te raken. Bijvoorbeeld door te kijken naar een uitbeelding van het lijdensverhaal, of door lezing van heiligenlevens. Dit uitgangspunt heeft die immense collectie aan beelden en schilderijen van het lijdensverhaal geïnspireerd. En dat ging soms echt van dik hout zaagt men planken. Als je maar bewogen raakte. Zo vond ik zelfs een beeldengroep waarvan een van de treurende vrouwen van wanhoop in het kruis klimt.

Het derde grote thema is de Gezinscultuur. In Nederland is het kerngezin nog steeds de hoeksteen van de samenleving. Dat uit zich in allerhande kwesties, zoals de discussie rond de thuisbevallingen, of het feit dat er in Nederland relatief weinig vrouwen op topposities in het bedrijfsleven zitten. Vrouwen in Nederland werken in deeltijd, en dat heeft niets met opleiding te maken. Deze situatie zet ik even kort neer, om me daarna de vraag stellen hoe dat komt, dat dat in Nederland zo is. En dat illustreer ik vervolgens met middeleeuwse kunstvoorwerpen. Zo zijn de beeldengroepen van Anna-te-drieën hier – in de Nederlanden – enorm populair: Anna, Maria en Jezus, bij elkaar op schoot. Het museum heeft veel van dergelijke beelden, vooral uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Over Anna, de moeder van Maria, is van alles verzonnen. Ze komt namelijk niet voor in de bijbel. Maar middeleeuwers vonden het heel vreemd dat er zo weinig bekend was over de familie van Jezus. En dus ontstonden er al vroeg verhalen en legenden over de heilige familie. In de middeleeuwen waren de verhalen over Anna bij iedereen bekend, en opvallend daarin was de nadruk op vrouwen. Kijk maar naar de schilderijen en beeldengroepen: op de voorgrond zie je vooral vrouwen en kleine kinderen, op de achtergrond wat vage mannen.

Anna was lange tijd het symbool van het gezin. Dat gezinsleven sloeg aan in onze burgercultuur, die vanaf de veertiende eeuw de dienst uit maakte. Die koopliedencultuur begon in Vlaanderen en Brabant, maar breidde zich al snel uit naar de steden van Zeeland en Holland. In deze stedelijke cultuur ontstond het kerngezin: vader, moeder, kinderen. Zo’n kerngezin was niet gebruikelijk. Op het platteland waren de gezinnen groot, met grootouders erbij, personeel. Dat hoorde allemaal tot de familia. En in zo’n familie deed iedereen alles. Jong en oud hielpen mee bij alle werkzaamheden van het bedrijf. Dat laatste paste echter niet in het kapitalistische systeem. Een van de kenmerken daarvan is arbeidsdeling: vader werkt buiten de deur en zorgt voor het inkomen, moeder doet het huishouden, de kinderen gaan naar school of assisteren een beetje. Die rolverdeling is uitgevonden in de Lage Landen.

8. Heilige Familie, Adriaen van Wesel, 1475-1480, Museum Catharijneconvent, Utrecht
Heilige Familie, Adriaen van Wesel,
1475-1480,
Museum Catharijneconvent, Utrecht
Anna was, als patrones van dat gezinsleven, rond 1500 dan ook populairder dan Maria, en daar maakte de kerk zich zorgen over. Er werden meer beelden van Anna gemaakt dan van Maria. Op de tentoonstelling laat ik dat belang van Anna zien, en hoe de kerk daarin ingreep. Eerst werd Anna meestal groter afgebeeld dan Maria en zit Maria bij haar op schoot. Later wordt Maria even groot als Anna, en staan moeder en dochter náást elkaar.

Zijn er nog andere onderwerpen die u behandelt?
‘Jazeker, kleinere thema’s, zoals bijvoorbeeld Jezus als etterbak. Dat is een voorstelling van Jezus die door de kerk totaal is uitgebannen. Het publiek begreep het niet, de theologen wel. Het gaat dan om voorstellingen die vertellen wat er gebeurde toen Jezus opgroeide. In apocriefe geschriften uit de derde en vierde eeuw worden tal van verhalen verteld over Jezus het rotjoch, dat niet tegen zijn verlies kon. Als puber deed hij heel gemene dingen. Hij zei bijvoorbeeld tegen zijn vriendjes: ‘Ga je mee, dan gaan we op zonnestralen lopen’. Uiteraard vielen die vriendjes dood neer, als ze dat deden. Jezus niet, die kon dat. Als de ouders vervolgens bij Maria en Jozef kwamen klagen, wekte Jezus de vriendjes morrend weer tot leven. Of veranderde ze in biggetjes. Voor al die vreselijke dingen is een theologische grond. Jezus was namelijk zonder zonden geboren, was niet belast met de erfzonde. Maar hij wilde wel volledig mens zijn, wist alleen niet hoe dat moest. Hij rommelde maar wat aan. En overspeelde daarbij zijn hand, om uiteindelijk toch tot inkeer te komen. Maar dat moest hij zelf ontdekken.  Deze verhalen waren dankzij Jan van Boendale ook bij ons bekend. Die nam deze verhalen op in zijn Lekenspieghel van omstreeks 1330.

Wat is uw persoonlijke hoogtepunt van de tentoonstelling, wat mag niemand missen?
‘Ik denk gelijk aan verschillende hoogtepunten, maar als ik er echt één moet kiezen: Jezus op de koude steen. Er is in de collectie van het museum een stenen beeld van Jezus, uitgebeeld op het moment dat hij zit te wachten op zijn executie. Van het beeld, uit de zestiende eeuw, is een arm af. Ik vind dat beeld ontzettend aangrijpend, dat komt ook nu nog aan. Ik ben zelf niet religieus, niet christelijk, maar ik raak er toch door geroerd. Je ziet zo duidelijk dat Jezus bang is voor de executie, hoewel hij precies wist wat er ging gebeuren. Maar hij berust ook. Hij blijft gecontroleerd. Hij kijkt in de verte. In één blik zitten angst, berusting en perspectief. Ik vind het zo indrukwekkend dat dat in één beeld is gestopt. Hoe die kunstenaar dat voor elkaar heeft gekregen…

Wat zou u willen dat de bezoeker meeneemt van de tentoonstelling?
‘Dat kunst niet alleen maar om schoonheid gaat, maar het ook een doel heeft. En dat dat nog steeds geldt. Dat kunst je heel onbevangen kan raken door schoonheid, maar dat het je ook kan troosten.’

Interview en tekst: Mariëlla Beukers, historicus en eindredacteur Jaarboek Oud-Utrecht
Fotografie: Mike Bink