Kromme Rijn

Utrecht, Kromme Rijn en Langbroekerwetering

In 1122 besloot bisschop Godebald bij Wijk bij Duurstede een dam in de Kromme Rijn te leggen. Daardoor konden de waterstanden van de rivier worden beheerst en zouden de regelmatige overstromingen verminderen. De dam maakte ook mogelijk om het grote moeras tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht, het Lange Broek, te ontginnen. Na de elfde eeuw groeide de bevolking en wilde men deze woeste gronden omzetten in landbouwgrond. Eerst werd de Langbroekerwetering gegraven, daarna om de 110 meter dwarssloten om het water af te voeren. Het gebied werd door de bisschop voor ontginning uitgegeven aan ministerialen, die voor de bisschop werkten, en aan leenmannen. Zij huurden boeren in voor de ontginning en gaven de grond in pacht uit.

Rond 1300 ontstond langs de Langbroekerwetering en Kromme Rijn een reeks woontorens die ook voor de verdediging waren bedoeld. De woontorens hadden vaak de ingang op de eerste verdieping. Als een vijand naderde, werd de toegangsladder of brug weggehaald. Op de begane grond was meestal een grotere zaal ingericht, daarboven de privévertrekken van de eigenaar. Op het voorplein stond vaak een boerderij. Sommige van die woontorens zijn later verbouwd tot heuse kastelen. Toen ze hun militaire functie verloren, bleven vele woontorens in gebruik als zomerverblijf. Dat hing ook samen met het feit dat het bezit van sommige van deze torens de status hadden van ridderhofstad, de eigenaar moest dan tot de ridderschap behoren, met een versterkt huis, gracht, ophaalbrug en een hofstede/boerderij. Het bezit van een ridderhofstad was voorwaarde om namens de ridderschap deel te nemen aan de Staten van Utrecht. Het meest prominente kasteel was wel kasteel Duurstede waar de machtige bisschop David van Bourgondië woonde.

De stad Utrecht was na 1122 door de dam niet meer via de Rijn te bereiken en dat was slecht voor de handel. Een nieuwe verbinding moest gegraven worden naar de Hollandse IJssel en de Lek: de Vaartsche Rijn.  De burgers kwamen in opstand tegen de zware financiële gevolgen. Keizer Hendrik V bracht uitkomst en de bisschop moest een toontje lager zingen: daarna kreeg de stad van bisschop Godebald het recht om zich te verdedigen met een stadswal: Het stadsrecht van Utrecht van 1122.

Bron: Canon Utrecht, B. Olde Meierink, Kastelen en Ridderhofsteden in Utrecht, 1995. 

Een aantal kastelen of restanten langs de Langbroekerwetering en Kromme Rijn zijn hier in beeld: Sterkenburg, Hindersteyn, Lunenburg, Sandenburg, Groenesteyn, Duurstede, Rhijnestein, Hardenbroek en Beverweerd. 

1 Sterkenburg

Sterkenburg

2 Hindersteyn

Hindersteyn

3 Lunenburg

Lunenburg

4 Sandenburg

Sandenburg

5 Groenesteyn a

Groenesteyn

6 Duurstede

Duurstede

7 Rhijnestein

Rhijnestein

8 Hardenbroek

Hardenbroek

9 Beverweerd

Beverweerd