Lezing op 27 mei over 't Lijnpad
In juni verscheen een interessant boek over een onbekend stukje geschiedenis van een deel van de stad Utrecht. Vergeten? In ieder geval weggeschoffeld door spoorwegen en gebouwen: het vroegere Lijnpad. De naam heeft niets met een pad of met een lijn langs een pad te maken, maar verwijst naar de lijnzaadproductie en de vlasverbouw. Tijdens zijn lezing op 27 mei ging de auteur Bert Poortman in op de interessante geschiedenis van dit gebied.

Het gaat globaal gezien om het stationsgebied, vanaf de Catharijnesingel, de Kruisvaart tot ongeveer de Croeselaan. Kortom, het gebied waar de ns-sporen zich uitspreiden. Alles is volgebouwd en volgestouwd met woningen, Rijksgebouwen en kantoren, maar dat is heel lange tijd niet zo geweest. Vlak voor de Bleekstraat bevindt zich linksaf een steeg; de Lijnpadstraat. Dit is de enige verwijzing naar het Lijnpad waarvan de geschiedenis meer dan 1000 jaar teruggaat.
Eigen gerecht
De schrijver laat het boek beginnen in het jaar 950. Het Lijnpad had een eigen gerecht, maar viel onder het gebied van Utrecht. De bisschoppen die het toen voor het zeggen hadden, vonden dat het Lijnpad ook bij Utrecht hoorde. De vruchtbare bodem bracht veel op. In 1237 wordt het Lijnpad voor het eerst bij naam genoemd. Het is bijna niet voor te stellen, maar het lag meer dan vier meter boven NAP. Naast vlas werd er ook graan verbouwd. Het ontgonnen land was opgedeeld in blokvormige kavels. De boerderijen waren van de kerk en van particulieren.
Toen Utrecht in 1122 stadsrechten kreeg, was het stadsbestuur het hoogste gezag. Het Lijnpad had nog wel een eigen gerecht, maar alleen voor kleine vergrijpen. In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw werd de stad Utrecht steeds belangrijker dankzij de handel en doordat de bisschop hier zetelde. In deze tijd was Utrecht een van de grootste steden van Noordwest-Europa, met ongeveer 25.000 inwoners. In de stad bevonden zich naast de bisschopzetel ook rijke kloosterorden die landerijen aankochten. De Ridderlijke Duitse Orde kreeg een deel van het Lijnpad in handen tussen 1250 en 1300. Een slimme zet, want vanwege de bodemkwaliteit bracht deze grond veel op, er stonden een eigen kerk, een eigen ziekenhuis en pachtboerderijen.

Scheiding stad en buitengebied op drie momenten in het jaar.
Tegenstellingen
Tussen het Lijnpad (of beter het platteland) en de stad (Utrecht) bestonden grote tegenstellingen. Niet alleen in leefwijze, maar ook in hoe de leefomgeving eruit zag. Beide ondergingen in de loop der tijd een verandering in uiterlijk. De stad raakte steeds sterker ommuurd en omwald, en het Lijnpad verzakte door inklinken van de bodem als gevolg van ontginningen en afgravingen. Na de herontdekking van de baksteen namelijk, werden de bovenste kleilagen afgegraven voor de baksteenproductie voor onder meer de metershoge stadsmuur en torens van Utrecht. Langzaamaan werd het gebied minder geschikt voor het verbouwen van vlas en graan.
Intussen, we hebben een sprong gemaakt naar ongeveer 1580 werd het Mariabolwerk aangelegd. Een van de vijf aarden verdedigingslichamen in het water, om de stadsverdediging te versterken, waar het Mariabolwerk er een van was. Een deel van het Lijnpad moest ervoor worden opgeofferd. Al snel bleek het bolwerk een obstakel voor de scheepvaart en in 1664 besloot men het te vergraven. Het Lijnpad werd geschikt gemaakt voor tuinbouw. Er werden vaarten en sloten gegraven voor het afvoeren van de groenten (warmoes). Poortman vertelde wat we nog kunnen terugvinden uit deze tijd.
Exploitatie
Na de reformatie in 1648 kreeg de stad het Lijnpad in bezit, en daarmee breekt de tijd van exploitatie aan. Langs de sloten werden bomen aangeplant, voor het hout. Een bijkomend voordeel was dat iedereen er ook prima kon wandelen over paden die het stadsbestuur aanlegde. Inmiddels was het gebied nog verder verzakt, en konden er alleen nog een paar koeien lopen in de drassige grond. En hoe zit het met het schoeisel? Waren klompen of schoenen wel handig? Poortman raakte erdoor gefascineerd en wijdde er in zijn boek aandacht aan.
Naast sloten en kleine vaartjes werden er trekvaarten gegraven; de ideale transportaderen vanaf de zeventiende eeuw en lange tijd een snelle manier om iets te vervoeren. Het stadsbestuur verhuurde grote kavels aan ondernemers. Zo was er een pannenbakkerij. (De klei die nog restte, was van heel goede kwaliteit.) In de loop der tijd verrezen er steeds meer buitenhuizen, met bijbehorende tuinen. Paradijsjes voor de rijke ondernemers, die een stuk lager lagen dan de vlasakkers van eeuwen geleden.

Fabrikantenwoning en steenfabriek van weduwe Rose.
Een voorbeeld is de familie Rose, rijk geworden in de kolonie. Meneer kocht in 1832 een fabriek en nestelde zich op een van de landgoederen om met koloniaal geld een onderneming te starten. Op het landgoed woonden zo’n honderd werknemers met hun gezin, in kleine ‘cameren’, onder erbarmelijke omstandigheden. Tijdens de lezing werden alle landgoederen en de rijke families genoemd, wat we allemaal gaan nalezen in het boek.
Staatsspoorwegen
De tijd van de landgoederen en buitenhuizen liep vanaf 1866 op zijn eind, wanneer de Staatsspoorwegen het gebied aankocht. Verschillende waterwegen, zoals de Eerste Nieuwe Vaart werden gedempt. In 1880 veranderde het gebied pas drastisch van uiterlijk wanneer het Ministerie van Defensie er kazernes liet bouwen. De spoorwegen bouwden er het hoofdkantoor en er verschenen klinieken en een ziekenhuis. In de twintigste eeuw verrees er een nieuwbouwwijk.
Het Lijnpad was in het verleden, anders dan dikwijls gedacht wordt niet alleen een gebied van tuinders, maar ook akkers, bomenproductie en fabrieken (dakpannen, cement). Sommige namen zijn nog een verwijzing, zo verwijst de Laan van Puntenburg naar het gelijknamige landgoed en het groen ernaast was ooit Nieuweroord. Zijn er nog sporen uit die tijd? Het staat beschreven in het boek.
De lezing was veel te kort, maar ook aan interessante activiteiten komt een eind. De zaal werd gesloten, dus we dienden het pand te verlaten. Het boek belooft iets goeds: een stuk onbekend verleden grondig onderzocht door Poortman. Afgaande op zijn lezing, legde hij verbanden en verklaarde hij dat een stad, een gebeurtenis of een activiteit nooit een op zichzelf staand iets is, maar altijd samenhangt met andere factoren. Dat maakt geschiedenis zo boeiend. De auteur zet hiermee een nog onbekende en vergeten stuk Utrechtse geschiedenis in de schijnwerpers. Dat is een boek waard!
Nagekomen bericht
Inmiddels is ‘t Lijnpad verschenen. Het is een uitgave van SteenGoed van de Werkgroep Historisch Onderzoek van het Utrechts Monumentenfonds (UMF). Deze werkgroep doet onderzoek naar de historisch gebouwde omgeving in de stad Utrecht en bestaat uit vrijwilligers, onder anderen de schrijver van ‘t Lijnpad, Bert Poortman. Sinds 1985 hebben zij hun onderzoeken gepubliceerd in de uitgaven SteenGoed, boekwerkjes over een pand of daarmee samenhangende onderwerpen. De reeks bestaat nu uit 75 uitgeven, zie de site van het UMF.
Bert Poortman, 't Lijnpad, De historie van het gerecht 't Lijnpad in de Stadsvrijheid van Utrecht, UMF SteenGoed 75 2026, ISBN 9789090424903. De uitgave telt 128 bladzijden en heeft bijna 150 illustraties in kleur.
De prijs voor leden van Oud-Utrecht bedraagt € 18 (één boek per lid), de gewone winkelprijs is € 23,95. Zie ook de Webwinkel van Oud-Utrecht. Het boek is gratis te downloaden, zie daarvoor eveneens de link naar de site van het UMF.