Nieuws

Het rampjaar: Adellijke officieren in de strijd tegen de Zonnekoning

Op 7 juni is in de Domkerk een herdenking gepland van Willem Joseph baron van Ghent. Dit is een samenwerking van Platform rampjaarherdenking 1672-2022, de Domkerk, de Vereniging van (oud) officieren der mariniers Willem Joseph baron van Ghent, en historische vereniging Oud-Utrecht. Dr. Renger de Bruin spreekt bij deze bijeenkomst over vice-admiraal en Domkanunnik Van Ghent, de slag bij Solebay, en zijn grafmonument in de Domkerk. Het onderstaande artikel van Renger de Bruin geeft een beeld van de adellijke officieren in het rampjaar, en de rol van admiraal Van Ghent die in de Domkerk is begraven nadat hij in 1672 sneuvelde in de slag bij Solebay.

In 2022 wordt herdacht dat het 350 jaar geleden is dat ons land bijna onder de voet werd gelopen door het leger van de Franse koning Lodewijk XIV. Het Rampjaar 1672, waarin het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos leek, behoorde in het traditionele geschiedenisonderwijs tot een van die scharnierpunten waarin onder leiding van Oranje met succes werd gestreden tegen vreemde overweldigers. In de Canon van Nederland komt het Rampjaar niet als apart venster voor, maar wel als onderdeel van het item over Michiel de Ruyter, de zeeheld die de gecombineerde Franse en Engelse vloten wist te verslaan. De oorlogsvloot speelde een cruciale rol in het behoud van de Nederlandse onafhankelijkheid, maar ook het landleger onder bevel van prins Willem III weerde zich krachtig. In dit leger speelden adellijke officieren een belangrijke rol, in veel sterkere mate dan op de vloot, waar het kader vooral uit burgerzonen, zoals De Ruyter, werd gerekruteerd. De officiersposten in het landleger werden grotendeels vervuld door telgen uit Nederlandse, maar ook uit buitenlandse adelsgeslachten. In dit artikel wil ik, na een korte uiteenzetting over de positie van edellieden in het leger, laten zien welke rol adellijke officieren speelden in de oorlogshandelingen die volgden op de Franse invasie van 1672. Dat werd geen militaire wandeling, zoals de Zonnekoning had gehoopt, maar vormde het begin van een langdurige strijd, die pas eindigde met de Vrede van Utrecht in 1713. Voor deze strijd, die enkele malen werd onderbroken door wapenstilstanden en zelfs vredesverdragen, hanteren historici wel de benaming Veertigjarige Oorlog. In het artikel zal niet alleen aandacht zijn voor de militaire verrichtingen van de officieren in deze reeks oorlogen, maar ook voor de risico’s die zij liepen. De kans op verwonding of zelfs de dood op het slagveld was aanzienlijk. 

Het Staatse leger
De oorsprong van de Nederlandse adel is van militaire aard. In de middeleeuwen vormden edelen de vechtende stand, naast de biddende stand van de geestelijkheid en de werkende stand, die de rest van de bevolking uitmaakte. In het leenstelsel waren vazallen verplicht hun heer te volgen in de strijd en kregen daarvoor een stuk land in leen. Dat land werd erfelijk bezit en vormde de basis van een adellijke status. Vanaf de elfde eeuw ontwikkelde zich een ridderschap. Het woord ridder betekent ruiter. De feodale oorlogvoering van zwaar gepantserde ruiters kwam na 1300 onder druk te staan, toen voetvolk met kruisbogen en pieken steeds effectiever kon optreden. Franse ridderlegers gingen roemloos ten onder tegen Vlaamse en Engelse infanterie. Later kwam er een steeds krachtiger artillerie en nog later kregen voetsoldaten de beschikking over vuurwapens. Legers bestonden steeds meer uit huurlingen en specialisten als kanonniers. Het officierscorps bleef echter vooral uit edellieden bestaan. In de Nederlanden gingen de kleine vorstendommen, die elkaar steeds beoorloogd hadden, vanaf 1400 op in het grotere verband van de Bourgondische en vervolgens Habsburgse gebieden. In de legers van Karel V dienden hoge edelen uit geslachten als Egmond en Nassau op topposities, terwijl mannen uit de riddermatige adel de officiersrangen daaronder vulden. Na de onder leiding van Willem van Oranje uitgebroken Opstand tegen Karels zoon Filips II streed een eigen troepenmacht, het Staatse leger, tegen de Spanjaarden. Willems zoon Maurits vormde dit om tot een moderne, professionele vechtmachine, die zeer succesvol was in het terugdringen van de vijand. Daarbij hield hij vast aan een voorkeur voor adellijke officieren. Hij was ervan overtuigd dat die door hun afkomst een natuurlijke autoriteit hadden en in hun opvoeding de juiste vaardigheden hadden meegekregen. Bovendien beschikten zij over voldoende kapitaal om de werving van soldaten voor te financieren. Onder Maurits’ broer en opvolger, Frederik Hendrik, veranderde dat niet. Diens succesvolle optreden, als de Stedendwinger, garandeerde de onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Nederlanden, die bij de Vrede van Munster in 1648 ook door de Spaanse koning werd erkend. Na die vrede kwamen er stringente bezuinigingen op het defensiebudget. Door de inkrimping van het landleger raakten veel adellijke officieren hun baan met de daaraan verbonden riante inkomsten kwijt. Het beschikbare geld ging vooral naar de oorlogsvloot. Daar domineerden mannen van eenvoudige afkomst, zoals Maarten Harpertsz. Tromp en Michiel Adriaansz. de Ruyter. Er waren adellijke bevelhebbers, zoals Jacob van Wassenaer Obdam en Willem Joseph van Ghent, maar die waren in de minderheid. 

Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over 12 juni 1672 Adam Frans van der Meulen

Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over 12 juni 1672, Adam Frans van der Meulen.

Het Rampjaar
De inkrimping van het landleger borg grote risico’s in zich. Dat bleek al tijdens een veldtocht tegen de Munsterse bisschop Bernhard von Galen, bijgenaamd Bommen Berend, in 1665. De diplomaat Godard Adriaan van Reede van Amerongen waarschuwde de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt, de feitelijke leider van de Republiek, keer op keer tegen de opbouw van de Franse leger en de agressieve bedoelingen van Lodewijk XIV, maar tevergeefs. In juni 1672 viel een enorm Frans leger aan langs de Rijn, geholpen door de bisschoppen van Munster en Keulen. Vanuit zee bedreigde een Engels-Franse vloot de kusten. Totale paniek brak uit. De jonge prins Willem (III), die vanwege het in 1650 genomen besluit om geen stadhouder en ook geen kapitein-generaal van het leger te benoemen langs de zijlijn had gestaan, werd eerst legerbevelhebber en vervolgens ook stadhouder. Nadat hij door de snelle Franse opmars eerst de IJssellinie en vervolgens de stad Utrecht had moeten opgeven, liet hij een brede strook land tussen Muiden en Gorinchem onder water zetten om de vijand tegen te houden. Dat werkte. De Fransen, die dachten de militaire wandeling richting Amsterdam en Den Haag te kunnen voortzetten, kwamen voor een watervlakte te staan, te diep om doorheen te waden, maar te ondiep om te kunnen varen.

De overgave der stad Utrecht op 24 juni 1672 Lambert de Hondt Centraal Museum

De overgave der stad Utrecht op 24 juni 1672 Lambert de Hondt Centraal Museum.

Willem III, die het alleen voor het zeggen had nadat Johan de Witt door een volksmassa gelyncht was, organiseerde verbeten de tegenstand. Rond de jaarwisseling 1672/1673 dreigde alsnog een Franse doorbraak, toen de Waterlinie bevroor, maar de dooi viel net op tijd in om dat te voorkomen. In het bezette deel van het land gingen de Fransen vreselijk tekeer. Steden werden afgeperst met rekwisities en inkwartieringen, de plattelandsbevolking werd geterroriseerd en kastelen werden in brand gestoken, waaronder dat van Godard Adriaan van Reede van Amerongen. Deze bleef onbewogen bondgenoten werven. Dat lukte uiteindelijk in Duitsland, waardoor Lodewijk XIV zijn troepen moest verdelen. Nadat Willem met de verovering van Bonn de aanvoerlijnen had doorgesneden, moest het Franse leger de Republiek ontruimen. Intussen was de dreiging vanaf zee afgewend door het succesvolle optreden van De Ruyter. De Engelse koning Karel II hield het voor gezien. De strijd tegen de Fransen ging door op zee en in de Spaanse Nederlanden. In 1678 kwam daar een einde aan door de Vrede van Nijmegen, zeer tegen de zin van Willem III. Hij had liever doorgevochten om definitief een einde te maken aan het Franse gevaar.

Godard van Reede 1644 1703 heer van Amerongen Luitenant generaal Adriaen van der Werff 1690 1703 Rijksmuseum

Godard van Reede 1644-1703, heer van Amerongen Luitenant generaal, Adriaen van der Werff 1690-1703 Rijksmuseum.

Legeropbouw
Willem III stond voor de taak om een zwaar verwaarloosd en ingekrompen leger weer op te bouwen. Zijn grote politieke macht en het prestige dat hij had opgebouwd met de succesvolle verdediging van de Waterlinie zorgden ervoor dat hij een aanzienlijk budget kreeg. Zijn leger was uiteindelijk groter dan dat van zijn grootvader Frederik Hendrik en zijn oudoom Maurits. Net als deze beide voorgangers had hij een voorkeur voor adellijke officieren, met bij voorkeur familieleden in de topposities, zoals Johan Maurits van Nassau-Siegen, Frederik van Nassau-Zuylestein, een bastaardzoon van Frederik Hendrik, en Hendrik Trajectinus van Solms Braunfels, een neef van diens echtgenote Amalia. Met Willems Friese neef Hendrik Casimir II liep de samenwerking niet goed. Die trok zich na een conflict verbitterd terug in Leeuwarden. In de posities onder de toplaag dienden zonen uit de ridderschapsgeslachten, soms hele gezinnen. Van het Overijsselse ridderschapslid Joachim Adolf van Rechteren tot Rechteren, die maar liefst elf zonen had, dienden er vier bij de cavalerie, vier bij de infanterie en een bij de vloot. De oudste, Johan Zeger, begon zijn loopbaan in 1674 als kornet en werd vier jaar later bevorderd tot luitenant. Na de Vrede van Nijmegen namen de carrièreperspectieven af. Hij kreeg toestemming om tijdelijk in Franse dienst te treden, als een soort spionage. Willem III maakte hem na terugkeer commandant van een cavaleriecompagnie. Zijn broer Reinhard streed in het keizerlijke leger tegen de Turken in Hongarije. Andere officiersfamilies waren Van Ittersum (ook uit Overijssel), Van Limburg Stirum en Schimmelpenninck van der Oije uit Gelderland, Van Wassenaer uit Holland en Van Hardenbroek en Van Reede uit Utrecht. Godard van Reede-Ginkel, het enige kind van Godard Adriaan van Reede van Amerongen, werd door zijn ouders vanaf jonge leeftijd bestemd voor het militaire bedrijf en heel nadrukkelijk bij de prins aanbevolen. In het begin verliep zijn carrière wat stroef, maar uiteindelijk was hij heel succesvol. 

Het Engelse avontuur
Willem III kreeg gelijk met zijn prognose dat Lodewijk XIV het opnieuw zou proberen. Via juridische trucs lijfde hij Straatsburg en Luxemburg in. Het grootste gevaar was dat hij greep op Engeland zou krijgen. Zijn neef Karel II was gevoelig voor zijn steekpenningen en na diens overlijden in 1685 kwam broer Jacobus (II) op de troon, die overgegaan was tot de katholieke kerk en van zins leek de macht van het Parlement te beknotten, alles met Franse hulp. Met dochter Mary, de echtgenote van Willem III, als protestantse troonopvolgster leek het een kwestie van wachten, maar toen uit Jacobus’ tweede huwelijk met een Italiaanse prinses een zoontje werd geboren, dreigde een katholieke dynastie. Het Parlement riep Willem te hulp, die met een leger in Zuid-Engeland landde en zijn schoonvader in korte tijd wist te verdrijven. Samen met zijn vrouw werd hij tot koning van Engeland gekroond. In het gezelschap van Willem bevonden zich tal van Nederlandse edelen. Daar waren mannen bij uit zijn directe entourage zoals Hendrik Trajectinus van Solms-Braunfels, Willem van Nassau-Zuylestein (zoon van Frederik) of zijn boezemvriend Hans Willem Bentinck, maar ook officieren uit het tweede segment zoals Johan Zeger van Rechteren en Godard van Reede-Ginkel. Deze Nederlanders gingen, tot ergernis van de Engelse adel, een belangrijke rol spelen aan het hof en in het Engelse leger. 

Dat leger moest snel worden ingezet op de Britse eilanden. Met Franse hulp landde Jacobus in het katholieke Ierland, waar hij veel aanhang had. Vandaar wilde hij via Schotland oprukken naar Londen om zijn troon te heroveren. Willem III stak over naar Ierland om zijn schoonvader de pas af te snijden. In juli 1690 wist hij bij de rivier de Boyne in de buurt van Dublin een klinkende overwinning te behalen, waarna Jacobus opnieuw naar Frankrijk vluchtte. Omdat de oorlog op het continent weer was uitgebroken, vertrok de koning-stadhouder naar het front in de Zuidelijke Nederlanden. Hij liet het bevel in Ierland over aan Godard van Reede-Ginkel, die nu de kans kreeg om zich te bewijzen. In 1691 wist hij de belangrijke vesting Athlone te veroveren en vervolgens de Ieren te verslaan in de Slag bij Aughrim. Daarna bracht hij de oorlog door onderhandelingen tot een goed einde. Willem III beloonde hem met de titels graaf van Athlone en baron van Aughrim, gekoppeld aan rijke goederen die aan Ieren waren ontnomen. Ook aan andere Nederlandse edelen zoals Hans Willem Bentinck en Willem van Nassau-Zuylestein verleende Willem III adellijke titels in zijn hoedanigheid als koning van Engeland. 

Na de overwinning in Ierland kon het hele leger tegen Frankrijk worden ingezet. Ook Ginkel was van de partij in deze Negenjarige Oorlog, die op verscheidene fronten gestreden werd, met bloedige veldslagen als die bij Neerwinden (1693) of langdurige belegeringen als die van Namen (1696). Voor de belegeringen beschikte Willem III over de geniale vestingbouwkundige Menno baron van Coehoorn, de evenknie van de Fransman Vauban. Coehoorn slaagde erin om tegenover diens ijzeren grens een eigen ring van vestingen op te werpen. De strijd leverde geen overwinnaar op en in 1697 werd er in Rijswijk vrede gesloten. 

De laatste oorlog van de Zonnekoning
In Rijswijk leek een machtsevenwicht te zijn bereikt, maar als een zwarte schaduw hing de Spaanse erfopvolging over Europa. Koning Karel II, een treurig product van generaties lange Habsburgse inteelt, had een wankele gezondheid en geen kinderen. Zowel Lodewijk XIV als keizer Leopold II maakte op grond van familiebanden aanspraak op de erfenis. Bij zijn dood in november 1700 bleek de koning Lodewijks kleinzoon Filips van Anjou tot universeel erfgenaam te hebben gemaakt. Spanje, met de bezittingen in Italië en de Zuidelijke Nederlanden, alsmede het koloniale rijk, dreigde onder Franse invloed te komen. Willem III smeedde een bondgenootschap, de Haagse Alliantie, om dat te voorkomen. Hij zou er geen leiding aan geven, want in maart 1702 overleed hij, na een val van zijn paard. Als koning van Engeland werd de kinderloze Willem opgevolgd door zijn schoonzuster Anne en als stadhouder niet, omdat het ambt opnieuw vacant werd verklaard. Zijn legertaken werden overgenomen door de graaf van Athlone, die de rang veldmaarschalk kreeg, maar deze overleed al binnen een jaar. Nu werd John Churchill hertog van Marlborough de geallieerde opperbevelhebber, terwijl Hendrik van NassauOuwerkerk, zoon van een bastaard van prins Maurits, het commando over het Staatse leger op zich nam. Prins Eugenius van Savoye voerde het keizerlijke leger aan.

De geallieerde legers wonnen, na een moeizaam begin, de ene veldslag na de andere. Ook belegeringen waren succesvol. Zo viel in 1708 de onneembare geachte vesting Rijssel. Ook op zee waren de geallieerden oppermachtig. Geplaagd door een dreigend bankroet, hongersnoden en opstanden besloot Lodewijk XIV tot onderhandelingen. Hij was bereid tot verregaande concessies, maar zijn tegenstanders overvroegen en hij besloot door te vechten. Oorlogsmoeheid in het andere kamp en machtsverschuivingen in Engeland leidden ertoe dat de Franse positie verbeterde. Door hun tegenstanders uit elkaar te spelen wisten de Fransen bij de Vrede van Utrecht in 1713 toch een vrij gunstig resultaat te boeken. De Republiek kwam er tamelijk bekaaid vanaf, maar het doel om de eigen onafhankelijkheid te bewaren en de Franse expansie te stoppen was na veertig jaar bereikt. 

Gevaren op het slagveld
De wijze van oorlog voeren die Willem III voorstond, hield grote persoonlijke risico’s voor officieren in. Veel meer dan Maurits en Frederik Hendrik, die een voorkeur voor belegeringen hadden, zocht hij de confrontatie in het open veld. Veldslagen als die bij Seneffe (1674), Mont Cassel (1677), St. Denis (1678), Steenkerken (1692) of Neerwinden (1693) hadden een bloedig verloop. Willems opvolgers Marlborough en Nassau-Ouwerkerk volgden zijn lijn. Na de slagen bij Höchstädt/ Blenheim (1704), Ramillies (1706), Oudenaarde (1708) en Malplaquet (1709) bleven velen dood op de velden achter. Anderen raakten gewond, wat bij de toenmalige stand van de medische wetenschap ook weinig perspectief bood. De meeste slachtoffers vielen onder de gewone soldaten, maar de officieren waren allerminst veilig. Dat gold zelfs voor de opperbevelhebber, Willem III. Waar Lodewijk XIV zich op schilderijen heldhaftig liet afbeelden, maar in werkelijkheid op veilige afstand bleef en later Versailles helemaal niet meer verliet, streed Willem in de voorste linies. Hij bracht het er enkele malen maar net levend vanaf. Tijdens de Slag bij St. Denis redde Hendrik van Nassau-Ouwerkerk hem het leven door een Franse belager dood te schieten. Godard van Reede Ginkel raakte bij Seneffe ernstig gewond, maar overleefde. Zijn verre verwant Pieter van Reede tot Nederhorst overleed twee maanden na de Slag bij Steenkerken aan zijn verwondingen. Voor Hendrik Trajectinus van Solms-Braunfels kwam het einde sneller. Nadat bij hem beide benen waren afgeschoten, stierf hij op het slagveld van Neerwinden. Ook belegeringen waren gevaarlijk. Zo sneuvelde Volkier van Rechteren in 1676 bij de herovering van Maastricht. De oorlog op zee was evenmin zonder risico. Admiraal Willem Joseph van Ghent voerde in de Slag bij Solebay, in juni 1672, de voorhoede aan. Na getroffen te zijn door een kartets viel hij ‘hardtsteecken doodt’ voorover. Hij kreeg een praalgraf in de Utrechtse Domkerk. 

Grafmonument admiraal Van Ghent in de Domkerk

Grafmonument admiraal Van Ghent in de Domkerk

Van Godard van Reede-Ginkel namen vier van zijn vijf zoons dienst in het Staatse leger. Zijn jongste zoon Willem overleed aan verwondingen die hij tijdens het beleg van het Vlaamse Menen in 1706 had opgelopen. Ook twee van Godards schoonzoons behoorden tot het Nederlandse officierscorps. De echtgenoot van de oudste dochter Margaretha, Johan Hendrik van Isendoorn à Blois, sneuvelde op 30 juni 1703 in de Slag bij Ekeren. Minder risico nam luitenant-generaal Jacob van Wassenaer van Obdam, een zoon van de in 1665 gesneuvelde gelijknamige admiraal. Jacob jr. trok zich aan het begin van de Slag bij Ekeren schielijk terug en bracht daarmee de geallieerde posities in gevaar. Het liep uiteindelijk goed af, maar tegen Obdam werd wel een onderzoek wegens lafheid ingesteld. Hij werd vrijgesproken, maar zijn reputatie was geknakt en hij ging in ballingschap. Heldhaftig gedrag op het slagveld versterkte het imago van de adel als militaire stand. De doden en gewonden waren martelaren voor het vaderland en figureerden in de propaganda van Willem III tegen het gevaar van Lodewijk XIV, die Europa onder zijn almacht en de katholieke kerk wilde brengen. Zij groeiden uit tot ware oorlogshelden. De glansrol van Nederlandse edelen in de succesvolle verdedigingsoorlog droeg bij aan de vooraanstaande positie die de adel in het Nederlandse leger innam, tot in de twintigste eeuw. 

Dr. Renger de Bruin

Dit artikel verscheen in 2021 in de nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging (zie de bijlage onder deze pagina).

Allegorisch portret van de admiraals Michiel de Ruyter en Willem Joseph Baron van Ghent ca 1667 Romeyn de Hooghe 1667 Rijksmuseum

Allegorisch portret van de admiraals Michiel de Ruyter en Willem Joseph Baron van Ghent, ca 1667 Romeyn de Hooghe 1667 Rijksmuseum

De Hollanders steken Engelse schepen in brand tijdens de tocht naar Chatham 20 juni 1667 Jan van Leyden Geheugen van Nederland

De Hollanders steken Engelse schepen in brand tijdens de tocht naar Chatham 20 juni 1667, Jan van Leyden Geheugen van Nederland.

Slag aan de Boyne 1690 anoniem naar Jan Luyken 1692 1694 Rijksmuseum

Slag aan de Boyne 1690 anoniem naar Jan Luyken 1692-1694 Rijksmuseum.

 2315 Royal James klein

Wandtapijten van de slag bij Solebay Willem van de Velde de Oude Scheepvaartmuseum

Wandtapijten van de slag bij Solebay Willem van de Velde de Oude Scheepvaartmuseum.

In 2022 is het 350 jaar geleden dat de belangrijke zeeslag de Slag bij Solebay in 1672 plaatsvond. Het Scheepvaartmuseum opent in juni een tentoonstelling over het rampjaar en dit heftige zeegevecht. De Slag bij Solebay was de eerste strijd die geleverd werd in de Derde Engels-Nederlandse oorlog (1672-1674).  Op wandtapijten van Willem van de Velde de Oude zijn twee momenten uit de Slag bij Solebay te zien, die plaatsvond voor de Engelse oostkust op 7 juni 1672. 

Op het eerste wandtapijt is te zien hoe het vlaggenschip van de Engelse vloot, de Royal James, uitbrandt. Dit was destijds het grootste oorlogsschip in de Engelse vloot met een lengte van 40 meter, meer dan 100 kanonnen en 800 manschappen. Op het andere wandtapijt zijn de twee oorlogsvloten afgebeeld terwijl zij zich in een lange lijn opstellen, gereed voor de voortzetting van het gevecht op de volgende ochtend. Dit gevecht bleef uit en de strijd eindigde daarmee onbeslist, waardoor de slag vervolgens aan beide kanten als een overwinning werd gevierd.

 

Bijlage(n)