Nieuws

100 jaar Centraal Museum

Dit jaar, 2021, is het honderd jaar geleden dat het Centraal Museum aan de Agnietenstraat werd geopend. Het museum kwam in het gerestaureerde Agnietenklooster als een bundeling van collecties, vandaar de naam Centraal Museum. De nieuwe museumvleugel was een ontwerp van architect en directeur van gemeentewerken Nieuwenhuis. De vleugel was neogotisch en monumentaal vormgegeven en sloot daardoor aan op de Agnietenkapel. Recent verscheen een Documentaire bij RTV Utrecht over 100 jaar Centraal Museum. Hier een terugblik op de ontwikkeling naar een Centraal Museum en de opening in 1921. 

Stedelijk Museum van Oudheden
Op woensdagmiddag 5 september 1838 werd de "verzameling van oud beeldwerk en andere oudheden, schilderijen en teekeningen, meestal tot de stad Utrecht betrekking hebbende, en behoorende tot het archief derzelve stad" op de bovenverdieping van het in 1830 verbouwde stadhuis voor het publiek opengesteld. Deze dag geldt als de oprichtingsdatum van het Stedelijk Museum van Oudheden, vanaf 1921 Centraal Museum genaamd. Utrecht was de eerste plaats in Nederland waar een stedelijke collectie voor het publiek werd opengesteld. Bezoekers konden er alleen op woensdagmiddag terecht en waren verplicht de catalogus, die uit 18 pagina's bestond, te kopen.

Museum van oudheden stadhuis

Museum van oudheden in het stadhuis, Anthony Grolman, 1889, HUA

Museum voor Oudheden stadhuis

Van oudsher had Utrecht een stedelijke collectie van oudheden. In het begin van de negentiende eeuw werd er nogal onverschillig mee omgegaan. In 1816 gingen veel schilderijen verloren, toen de met turf volgeladen zolder van de Aalmoezenierskamer op de onderliggende verdieping, die als depot van de stedelijke collectie diende, neerstortte. In 1824 sneuvelden weer veel schilderijen, toen ze nogal ruw naar het stadstimmerhuis overgebracht werden. Over het verlies werd geen drukte gemaakt. Van de historische of esthetische waarde had men nog geen besef. Pas omstreeks 1830 begon de net benoemde burgemeester jhr. H.M.A.J van Asch van Wijck het belang van de stedelijke collectie in te zien. Vanaf 1830 staan in de notulen van B en W regelmatig aankopen of schenkingen vermeld van schilderijen voor de stedelijke collectie. Van Asch van Wijck had duidelijk alleen het historische belang voor ogen en niet de esthetische waarde. Vanaf 1838 was de stedelijke collectie voor het publiek toegankelijk.

De in 1874 als gemeentearchivaris en beheerder van de stedelijke collectie aangestelde mr. Samuel Muller Fz. had geen goed woord over voor de catalogus van 1838, die in latere jaren met gegevens over nieuwe schenkingen was aangevuld en herdrukt. De catalogus was te summier. In 1878 publiceerde Muller dan ook een nieuwe catalogus van de stedelijke collectie, die voor die tijd voorbeeldig was, maar naar hedendaagse begrippen toch onvolledig en niet vrij van onjuistheden. Bekijkt men de in 1889 door A. Grolman gemaakte aquarellen van het museum, dan doet het denken aan een uitdragerswinkel. Hoewel de drukke en voor het oog ordeloze manier van exposeren in die tijd gewoon was, klaagde Muller toch over ruimtegebrek voor de 2000 door hem beschreven voorwerpen. Zelfs het vrijkomen van een zaal -door de verhuizing van het gemeentearchief in 1884 naar de Drift-loste het probleem niet op. De oplossing kwam pas door de verhuizing van het museum eind 1890 naar het buitengoed "Hoogeland", gelegen tussen de Biltstraat en de Museumlaan.

Museum Hoogeland

985 renaissancekamer Hoogeland Bratsch 1906 HUA

Renaissancekamer Hoogeland, Bratsch, 1906, HUA

Plannen voor verhuizing
Omdat ook op het Hoogeland op den duur ruimtegebrek een probleem werd, kwam Muller in 1911 met het plan de stedelijke collectie naar het voormalige Agnietenklooster aan de Agnietenstraat te verhuizen. Pas in 1916 ging het stadsbestuur met dit voorstel akkoord. Het door financiële moeilijkheden geplaagde Genootschap Kunstliefde droeg in 1918 de van de stad in bruikleen gekregen schilderijen over en verkocht zelfs 63 schilderijen (o.a. topstukken van Abraham Bloemaert) uit zijn eigen collectie ten behoeve van het stedelijke museum. Intussen was het museum in het "Hoogeland" op 7 mei 1918 gesloten en werd de stedelijke collectie her en der opgeslagen. Hoewel Muller met ingang van 31 december 1918 als directeur van het museum aftrad, kreeg hij het verzoek de bouw en inrichting van het nieuwe museum te begeleiden. De kapel en refter van het Agnietenklooster werden in 1918 gerestaureerd. In 1919 werden de nieuwe vleugels aan de Agnietenstraat en het Nicolaaskerkhof aangebouwd. In 1920/21 hield Muller zich bezig met de inrichting van 43 zalen. In het nieuwe gebouw moesten worden ondergebracht: de collectie oudheden van de gemeente, de stijlkamers, de van het Genootschap Kunstliefde teruggekomen en aangekochte schilderijen, voorwerpen van het Aartsbisschoppelijk Museum en de archeologische verzamelingen van het Provinciaal Utrechts Genootschap. 

Centraal Museum Blitz 1920

Centraal Museum, Blitz, 1920, HUA

703 hal met de trap naar de voormalige refter van het St Agnietenklooster Pierik HUA

Hal met de trap naar de voormalige refter van het St Agnietenklooster, Pierik,HUA

375 Stijlkamer Centraal Museum Blitz 1921

Stijlkamer Centraal Museum, Blitz, 1921, HUA

Opening Centraal Museum
Op 1 augustus 1921 werd het Centraal Museum officieel geopend. Burgemeester Fockema Andreae sprak: Toen in 1889 de Gemeenteraad beraadslaagde over het voorstel van Burgemeester en Wethouders om het toen kort te voren aangekochte gebouw Hoogeland tot museum in te richten, vond een van de sprekers, die het voorstel warm verdedigde, aanleiding een vergelijking te maken tussen dat huis en andere ook ter sprake gekomen gebouwen. Tot die gebouwen behoorde ,, de Klaasklazerne of de oude kerk van het St. Agnietenklooster ". “Als men,"zeide hij, ,,daar uitbrak wat het tot kazerne maakt én het eenigermate in zijn ouden vorm herstelde, zou het misschien een museum kunnen worden". Of dat gebouw echter te vergelijken zou zijn met de plaats op het Hoogeland, betwijfelde hij, en hij besloot zijn rede met te zeggen: ,,gelukkig dat de Klaaskazerne verhuurd is en wij nu een beter museum hebben en wij de Klaaskazerne kunnen overlaten aan een huurder, die er een magazijn van wil maken, waarvoor het beter geschikt is."

Het voorstel werd aangenomen en het museum werd overgebracht naar het museum op het Hoogeland, dat door diezelfde spreker ook werd aanbevolen, omdat er “op den zolder ook een allerliefst pijnigingkamertje was; dat is, betoogde hij, wenschelijk, opdat men die pijnigingsinstrumenten, niet, zoals men op het stadhuis het allereerst zien kan, tot schrik van de dames.”

Het besluit tot de stichting van het Centraal Museum werd door de gemeenteraad genomen in 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog. De raad toonde zo dat ze zich door de oorlogsomstandigheden niet liet ontmoedigen, dat ze vooruit wilde zien, en omhoog, naar de bescherming van de kunst en de monumenten der Utrechtse historie.

Samuel Muller kwam ook aan het woord bij de opening: Hij noemde deze dag ‘een schoone en gelukkige, lang verwacht en toch verscheenen. Het was telkens een voldoening te zien,  hoe de opgeborgen en gekelderde schatten werden tevoorschijn gebracht en geordend in de lokalen van dit gebouw’. Bijna 30 jaar had Muller eraan gewerkt.

In het licht van het streven naar een scheiding van kunstmusea en historische musea was Mullers idee van een centraal museum nogal vreemd. Echter toen het plan voor het eerst bij Muller opkwam dacht hij alleen aan de slechte huisvesting van de Utrechtse musea, en was hij zich - naar eigen zeggen - nog niet bewust van de onverenigbaarheid van kunstmusea en historische musea. Later heeft hij zich wel afgevraagd of het mogelijk zou zijn de scheiding alsnog door te voeren, maar gezien de beperkte financiën van de gemeente Utrecht achtte hij dat niet uitvoerbaar. Muller zag het Stedelijk Museum - dat ook als onderdeel van het Centraal Museum de eigen naam behield - niet langer als een plaatselijk museum dat volgens het historisch uitgangspunt moest worden ingericht; hij herschiep een groot deel ervan in een kunstmuseum, en liet de toevoeging 'van Oudheden' in de naam van het museum vallen. Hij heeft getracht de historische afdeling strikt te scheiden van de kunstafdeling. De historische afdeling bestond uit de archeologische verzameling, enige algemene zalen en de stijlkamers. Voor het overige was zijn inrichting gebaseerd op indeling naar kunstdiscipline. Het Stedelijk Museum kreeg een grote afdeling beeldhouwkunst en een grote afdeling schilderkunst. Muller werd daarin niet alleen beïnvloed door Pit en de Oudheidkundige Bond, maar ook door Vogelsang en De Jonge. Willem Vogelsang was de eerste hoogleraar kunstgeschiedenis van Nederland. Hij was in eerste instantie als adviseur betrokken bij de inrichting van het Centraal Museum, maar had zich teruggetrokken. Jkvr. dr Caroline Henriette de Jonge behoorde tot de eerste lichting afgestudeerden van Vogelsang en was sinds 1917 betrokken bij de inrichting van het museum. Met hen had de kunstgeschiedenis als professie zijn intrede gedaan in het museum. Muller heeft zich de kritiek zo sterk aangetrokken dat hij nooit meer een voet in het museum heeft gezet. Op 5 december 1922 is hij overleden.

In het Centraal Museum werd Mullers strikte materiaalscheiding al in 1925 weer verlaten. De aparte afdeling beeldhouwkunst verdween; het grootste gedeelte van de collectie kwam weer op de historische afdeling terecht. De nadruk kwam te liggen op de schilderijenverzameling, die werd ingericht volgens esthetische principes. De kwalitatief beste stukken uit de andere collecties kwamen in de schilderijenzalen te staan. Er werd ook een afdeling moderne schilderijen en beeldhouwkunst geopend.

757 tentoonstellingszaal met de collectie van het Stedelijk Museum voor Oudheden Blitz 1925 2

Tentoonstellingszaal met de collectie van het Stedelijk Museum voor Oudheden, Blitz, 1925, HUA

303 gevelstenen 1927

Gevelstenen in de kloostertuin, 1927, HUA

683 Hollandse barokkamer 1927 Deetman HUA

Hollandse barokkamer, Deetman, 1927, HUA

315 Gotische kamer 1928 Moesman HUA

Gotische kamer, Moesman, 1928, HUA

Op 8 september 1938 werd het 100-jarig bestaan van het museum herdacht. Er waren veel bijzondere geschenken. Bij die gelegenheid schonk directeur Schuylenburg het museum "de graflegging van Christus", een belangrijk schilderij van Dirck van Baburen. De burgerij en vrienden van het museum schonken ‘Zelfportret met zwarte band van Pyke Koch’, dat deed nogal wat stof opwaaien. In de museumtuin kwam een bronzen beeld van de heilige Agnes, gemaakt en geschonken door de Utrechtse beeldhouwster Isabella van Beeck Calkoen. In het jubileumjaar verscheen een tentoonstelling met werken van Paulus Moreelse en een standaardwerk door Jkvr. De Jonge.

Nicolakerk Stadsbuitengracht en rechts het complex van het Centraal Museum

Nicolaikerk, Stadsbuitengracht en rechts het complex van het Centraal Museum, HUA

Bronnen: Jelmer Prins, Stijlkamers in Utrecht, tussen oudheidkamer en kunstnijverheidsopstelling, Jaarboek Oud-Utrecht 1997, A.B.R. du Croo de Vries, Geschiedenis Centraal Museum, 1996, J.A.L. de Meijere, Het Centraal Museum te Utrecht, het oudste stedelijk museum van Nederland, Maandblad Oud-Utrecht 1988.

 

Bijlage(n)